Home Een Vleugje Tropenkolder PT. Garam, een hart van zout

PT. Garam, een hart van zout

Die avond, net toen ik mijn foto’s aan het beoordelen was die ik zojuist op mijn laptop had gedownload, werd er op mijn hoteldeur geklopt. Er stond een jongeman van net dertig voor de deur die aan mij vroeg of ik de Belanda was waarvan hij had vernomen dat die zich in het hotel moest bevinden. Adi was twee jaar eerder in Nederland op vakantie  geweest en liet dit merken door me te begroeten met ‘goedenavond menir.' Hij had – net zoals Sunastro – wat jaren gidswerk verricht voor de spaarzame buitenlandse toeristen die in Sumenep  verzeild waren geraakt. Van zijn werkgever had hij slechts twee weken permissie gekregen om het kleine landje waarover hij zoveel had gehoord te kunnen bezoeken en aan een Nederlander met de naam Joep had hij het te danken dat een en ander destijds geregeld was. Hij werkte bij afdeling toerisme van Dinas Parwisata dan Kabupaten Sumenep en zittend op de veranda voor mijn appartement praatten we nog wat door.

 

 

 

Spiegel kraton

 

   Omdat hij slechts op een paar honderd meter van het hotel woonde verkasten we na een tijdje daarheen en stelde hij me aan zijn vrouw voor, die twee maanden eerder bevallen was van een dochter. Zijn huiskamer stond vol met stille getuigen van zijn grootse trip ooit in de vorm van Deftsblauwe schotels, windmolens en een paar houten klompen in een hoek, terwijl hij het voorbeeld van menig Nederlandse huiskamer had gevolgd door plankjes aan de muur te bevestigen waarop hij tal van Hollandse prullaria had uitgestald. Fotografie was zijn grote hobby en ik kreeg die avond een boekwerk te ze zien waarin zijn best gelukte plaatjes van de Hollandse trip waren afgedrukt – een geschenk van zijn sponsorgastheer die dit middels een service van de Hema had kunnen verwezenlijken.  In het fotoboek stond hij steeds met zijn brede grijns afgebeeld bij typische Hollandse locaties als Volendam (op klompen en in de bekende klederdracht gestoken), Kinderdijk (met de rij windmolens op de achtergrond) en het Haagse Binnenhof met een nieuwe haring met uitjes in de hand boven zijn geopende mond bengelend. Hij vertelde me daarbij, niet zonder trots, hoe hij steeds spontaan gratis onderdak had genoten bij de diverse gezinnen, die voor zijn aanwezigheid gevochten moesten hebben zodat hij geen geld aan dure hotels had hoeven te besteden.

 

 

 

Kanon kraton

 

  

   Terwijl we op zijn veranda buiten aan de koffie zaten ontwaarden we een felle lichtflits die langs de donkere avondhemel schoot en ik opperde dat het een komeet of vallende ster geweest zou kunnen zijn. Maar hij keek even als door de flits bevangen terwijl het angstzweet op zijn voorhoofd begon te parelen en zei: ‘ze zijn weer bezig.’ Hierop vertelde hij mij een bijna ongeloofwaardig en griezelig horrorverhaal dat hem en zijn vrouw ruim een jaar daarvoor was overkomen.

   ’Ik heb ook nooit in die hocus-pocus geloofd, maar ik weet nu wel beter. Mijn vrouw en ik hebben inmiddels heel wat meegemaakt op dat gebied.’

   Zijn ogen keken angstig in het rond terwijl hij het verhaal vertelde. Er waren dezelfde soorten flitsen in zijn achtertuin waargenomen, waarna zijn vrouw aan het onderlichaam verlamd was geraakt en waardoor ze wekenlang niet meer kon lopen of staan en in bed haar behoeften liet gaan. Volgens een familielid moest er sprake zijn van guna guna – zwarte magie – en zij adviseerde het stel een medium in te schakelen, teneinde de duistere krachten die hen uiteindelijk beide ten gronde zou richten, ongedaan te maken. Er moesten dure ingrediënten als moeilijk te verkrijgen zalven en parfums worden aangeschaft en er werden zittingen bij hen thuis gehouden met de bewuste zwarte magiespecialist erbij. Na veel mediteren en wichelroede gezwaai kwam deze tot de conclusie dat er bij het stel in de achtertuin gezocht moest worden en na lang speuren en graven werd er een merkwaardig cilindervormig voorwerp opgediept onder de grond ter grootte van een forse mannenduim dat was vervaardigd uit opgerolde stukjes doek en plastik waarin roestige oude naalden of spijkers waren verborgen. In het binnenste stukje witte doek waren Arabische tekens uit de koran opgeschreven waaronder op kinderlijke wijze een mannetje was afgebeeld met drie naalden in het lijf, een in de benen, een tweede in het onderlichaam en de derde in het hoofd. Voordat ze dit onder ogen hadden gekregen had de guna guna bezweerder het akelige voorwerp in hun tuinvijver gegooid waarop een watereruptie moet hebben plaatsgevonden zoals wel gebeurt wanneer men een aantal suikerklontjes in een gezinsfles Coca-cola laat zakken. Hierna werden er allerlei ceremoniële handelingen uitgevoerd met de heilige zalven en parfums waarna het geheel moest worden afgesloten met een uitgebreide selamatan in hun huis waarbij de hele familie van het stel met het medium aanwezig waren. Bijna direct daarop was het gevoel in de onderlijf van Adi’s vrouw weer teruggekeerd  en kon ze weer lopen en de dingen doen die zij daarvoor altijd had kunnen doen. Maar hiermee was de nachtmerrie nog niet afgelopen. Tot tweemaal toe werd het jonge gezin door dergelijke aanvallen van zwarte magie getroffen waarbij steeds weer dergelijke betoverde voddenproppen opgespeurd dienden te worden waarbij de laatste op een kerkhof zou zijn gevonden, niet ver van hun woonhuis vandaan. Al hun spaarcenten moesten eraan geloven om al het kwaad dat over hen heen kwam ongedaan te maken.

   Ik vroeg Adi na dit schokkende verhaal wie dit ernstige vergrijp moet hebben aangericht, waarop hij schouderophalend reageerde: ‘”iemand” die jaloers op ons moet zijn geweest. Ik had namelijk net dit huis van mijn vader geërfd en zoiets kan sommige mensen afgunstig stemmen.’

   ‘En had men niet,’ zo vroeg ik hem, ‘haren, nagels en dergelijke lichaamseigen onderdelen nodig om een dergelijk kwaad over iemand uit te roepen?’

   ‘Een herkenbare foto van het slachtoffer is al genoeg om het ritueel uit te kunnen voeren.’

   Achteraf wist ik niet wat ik moest geloven van zijn schokkende en fantasievolle verhaal. Mogelijk had hij wel eens iets gelezen over een dergelijke Indische fabel uit tempo doeloe en had hij mij dit op de mouw willen spelden om indruk te kunnen maken en daar ik van nature niet bijgelovig ben wantrouw ik dergelijke verhalen altijd ten zeerste. Ik besloot het verhaal maar naar het rijk der fabelen te verwijzen, daar er in de moderne tijd toch geen reden meer is om aan dergelijke hocus-pocus enige waarheid toe te schrijven. Verderop in dit reisverslag zal ik overigens nog uitvoerig terug komen op dit guna guna geval. Mogelijk had ik Adi verder links laten liggen door deze ongeloofwaardige kwestie, ware het niet dat hij me die avond ook enige bijzonderheden had verteld over de oude zoutfabriek, waarmee hij en zijn baas plannen zouden hebben om er in de toekomst – uiteraard na een grondige renovatie van de bewuste bouwvallen – een museum van te maken. Het ontbrak de initiatiefnemers alleen aan de nodige achtergrondinformatie om het project te kunnen illustreren. Hij zou zijn meerdere over mijn interesse mededelen en over het resultaat zou ik nog van hem horen. Niet verwachtende dat ik hier nog wat van zou vernemen namen we na middernacht afscheid van elkaar en zocht ik mijn weg terug naar het hotel.

 

 

 

...ook de vertrekken die alleen bestemd waren voor de ontvangst van speciale gasten...

 

Die volgende ochtend werd er weer op mijn hotelkamer deur geklopt. Adi had die ochtend met zijn baas over mijn interesse gepraat en die had hem eropuit gestuurd om mij op te halen voor een gesprek. Hij zag er nu voornaam uit in een officieel olijfkleurig uniform gestoken en even later gingen we op weg en zat ik achterop zijn Yamaha motor terwijl we richting zijn kantoor stoven. Het toeristenbureau was tegenover de kraton gelegen en bij binnenkomst mocht ik op een fraaie antieke houten bank met krullerig houtsnijwerk plaatsnemen in afwachting van de bewuste baas, terwijl Adi naar een ander vertrek vertrok waar hij aan zijn eigen werkzaamheden verder ging. Een magere man van in de veertig kwam na enige tijd het vertrek binnen die zich aan me voorstelde en in redelijk goed Engels startte hij het gesprek waarbij hij informeerde naar mijn internetsite waarover hij had gehoord en die hij zelfs al had bekeken. Hij liet doorschemeren dat het project betreffende de oude zoutfabriek nog in een beginstadium verkeerde, maar dat het wat de plannen betreft zeker menens zou zijn.

 

 

 

Renovatie?

 

  Ik werd gevraagd mee naar boven te gaan naar een klein benauwd kantoortje alwaar een aantal computers met beeldschermen waren geïnstalleerd en waaraan een paar jonge werkkrachten zaten te werken. Achter een niet bemande nam hij plaats en vroeg me vlak naast hem te komen zitten. Een fotomap uit het archief van de PC werd geopend en ik kreeg een serie foto’s van de oude fabriek te zien die ik zelf genomen had kunnen hebben daar alles wat werd vertoond werd ik ook al had gefotografeerd. Toch waren er enkele plaatjes bij die nog niet had gezien en enkele ervan betroffen die van het voormalige kantoor van de fabriek, die aan de haven gelegen zou zijn. Op een foto was een ingemetselde steen te zien met inscriptie waarvan hij niet wist wat de betekenis was. Er stond geschreven alsof het een rijm betrof: ‘De eerste steen gelegd 22 november 1925 door Frits Bender’. Ik vertaalde het voor hem in het Engels. Ik wilde het op Google gaan opzoeken, maar er was iets met de verbinding waardoor er een error melding kwam. Hij stelde voor om naar een internetgelegenheid te gaan om het uit te zoeken, maar net toen we onderweg zouden gaan kwam een andere man hem iets zeggen waardoor hij zich moest excuseren. Die andere man bleek pas de eigenlijke baas van Adi te zijn, het opperhoofd van het toeristengebouw. Hij liet me een boekwerkje zien waarin de plannen werden ontvouwen betreffende het project zoutfabriek PT.Garam. Nadat ik hem had laten weten graag een kopie ervan te willen hebben riep hij Adi tot zich om het voor me laten kopiëren. in de tussentijd nam hij me mee naar de kraton aan de overkant en leidde me door alle vertrekken, ook de vertrekken die alleen bestemd waren voor de ontvangst van speciale gasten. Hij drukte me op het hart dat mijn interesse in de zaak van de oude fabriek voor hem heel speciaal was en dat hij hoopte dat onze samenwerking – ook na mijn verblijf op Madura – een voortvarend karakter zou hebben. Tevens vroeg hij mij of mijn gehele website mocht overnemen – kopiëren eigenlijk – zodat het deel uit zou gaan maken van de afdeling toeristeninformatie afdeling Sumenep. Ik zegde hem dit toe en zei mijn best te zullen gaan doen om weer terug in Nederland alles wat bekend is over de fabriek met hem te zullen delen.

 

 

 

Achterkant zoutfabriek

 

   Nadat hij nog al zijn plannen voor een renovatie van het kraton aan me had ontvouwd gingen we weer terug naar de overkant, het toeristen informatiekantoor.  Daar werd aan een bureautje koffie voor ons tweeën gebracht terwijl Adi in de weer was met een waterpijp die hij het opperhoofd kwam presenteren toen deze met speciale kooltjes en tabak was opgestookt. Ons gesprek werd voortgezet terwijl hij af en toe aan mondstuk lurkte van een slang dat uit het waterreservoir stak. Een luid geproest was het resultaat, maar dat belette hem kennelijk niet om er onverschrokken mee door te gaan. Hij vertrouwde me tussendoor toe dat hij in zijn jongere jaren met vrienden af en toe sabu sabu had gebruikt, waarop ik hem vroeg of hij daarmee ganya bedoelde. ‘Nee’, zei hij, ‘ganya dat gebruikt men in Aceh, het is dat witte poeder waar men wakker van blijft.’ Adi stookte de kop van de waterpijp met het smeulende goedje nog eens voor hem op terwijl hij verder aan de slang zoog. Het opperhoofd veranderde van onderwerp en haalde er een boekwerkje bij waarin vele foto’s waren afgedrukt.

   ’Deze dame zal je misschien wel kennen,’ en hij wees op een van de foto’s. ‘Ze heeft een tijdje hier in een hotel gelogeerd en haar naam was Tante Lien,’

   Ik herkende het typetje waarmee Wieteke van Dort in Nederland grote bekendheid had verwerft. Ik vertelde hem dat ze mij wel bekend was en dat ze vaak op de Nederlandse tv te zien was geweest in die rol.

   ‘Maar hoe heette toch die man van haar?’,vervolgde hij al verder stomend. ‘Hij was in Sumenep geboren en kwam hier zijn roots napluizen.’ Ik bekeek een van de foto’s waar hij opstond en herkende Edwin Rutten, beter bekend als Ome Willem. Ik vertelde hem de nickname van deze acteur en zanger.

   ‘Ja, Ome William heette hij, een zeer aardige man. Hij liet zich per becak door de straten rijden terwijl hij kroepoek en saté at. Met een filmploeg werd dit allemaal voor een documentaire gedraaid. Daarna is de ploeg naar Bali vertrokken voor het vervolg ervan.’

   Er was een andere man bij ons aan het bureautje geschoven waarmee andere zaken besproken moesten gaan worden. Ons gesprek werd afgesloten nadat Adi’s baas mij had gevraagd die avond aanwezig te willen zijn omdat er een openluchtconcert werd gegeven in het teken van islam en cultuur 2009. Ik beloofde het hem, evenals mijn verdere naspeuringen wat betreft de informatie over de oude zoutfabriek. Ik liet het opperhoofd alleen met de zojuist aangeschoven man en zag nog hoe Adi op zijn verzoek de waterpijp naar een achterkamertje afvoerde en zijn vingers aan de gloeiend hete kop brandde toen hij deze wilde legen. Het porseleinen reservoir liet hij daardoor op de marmeren grond kletteren waardoor die in stukken uit elkaar spatte. Er was een gedempt gevloek hoorbaar en ik zag hem op zijn onderlip bijten. Ik lachte en zei: ‘accidents will happens,’ waarna ik het kantoor verliet en mijn hotel weer opzocht.

 

 

Nog steeds wordt er zout gewonnen

  

Laatst aangepast (vrijdag, 19 maart 2010 20:55)