Rondje Sumenep

Als uit het niets was er een becak komen aanrijden en ik vroeg de berijder of hij een goed hotel wist. Nadat ik mijn hele hebben en houden in zijn vehikel had gehesen gingen we op weg. Niet veel later reed hij me de oprijlaan in van het budgethotel Wijaya 2. De vriendelijke becakrijder stapte af om me te helpen uitstappen, maar nu sloeg de balans door naar mijn kant, letterlijk. Het achterwiel van de fietstaxi raakte los van het asfalt en ik belandde met mijn bagage en al op de grond. Het was een zachte landing en we lagen daarna beiden in een deuk. In het hotel bekeek ik de prijskaart van de kamers en ik was verbaasd door de lage tarieven die er werden geheven – de duurste vip kamer met airco en tv zou slechts Rp. 95.000,- moeten opbrengen, dus ik vroeg me af of het wel iets fatsoenlijks zou zijn. Maar na een grondige inspectie bleken de kamers beslist acceptabel te zijn. Er was alleen geen ontbijt mogelijk, maar in een klein restaurantje dat aan de rechtervleugel was gebouwd, kon men een simpel maal verkrijgen en had men zelfs gekoeld bier in voorraad. Ik liet me inschrijven en ging meteen een nasi goreng eten daar ik die ochtend slechts een paar happen witte rijst op had. Ik kon mijn wasgoed inleveren, mezelf opfrissen en daarna plofte ik op bed neer in de prettig gekoelde kamer. Ik had het gevoel dat het geluk, in elk geval voor even, weer met me was.

 

 

Api Alam

 

   Die avond liep ik langs de gezellige boulevard om een eetgelegenheid te zoeken. Er was in ieder geval een kleine supermarkt schuin tegenover het hotel waar ik wat gekoelde drankjes kocht en weer terug aan de hotelkant zag ik een gelegenheid waar ayam goreng op het menu stond. Ik liep erheen en passeerde een eetstalletje waar saté kambing werd geroosterd. Een klant aan een tafeltje die net was uitgegeten sprak me in verrassend goed Engels aan. Na een klein praatje vervolgde ik mijn weg naar het restaurant, maar toen ik naar binnen keek, zag ik dat er geen stoelen waren; de aanwezige gasten zaten in kleermakerszit achter hun dis te smikkelen. Daar had ik niet zo’n zin in en liep weer terug naar de warung met de saté kambing. De klant met wie ik zojuist gesproken had was er nog en verwelkomde me. Tijdens het eten van de overigens heerlijke saté praatten we verder. De man van in de dertig zou vroeger, voordat hij zijn huidige vrouw ontmoet had, wat gidswerk hebben verricht voor de spaarzame toeristen waardoor hij zijn Engels had kunnen ontwikkelen. Ik vroeg hem daarom of hij mogelijk tijd en zin had om mij het een en ander van de streek te laten zien. Nadat ik was uitgegeten liep hij mee naar mijn kamer waar we afspraken dat hij een Toyota Kijang met chauffeur voor me zou opsnorren om de volgende dag een rit te gaan maken waarbij we relaxt zouden beginnen met een bezoek aan het witte strand van Lombang Beach, zo’n dertig kilometer rijden. Zijn naam was overigens Sunastro, familie van de toenmalige vice-president van Soekarno. Hij leek me een geschikte kerel en had gevoel voor humor.

   Het werd inderdaad een relaxte dag en dat kwam me goed uit na de vermoeienissen van de afgelopen dagen. Na de rit van 30 kilometer streken we neer op een prachtige locatie in het witte zand van Pantai Lombang, omringd door eeuwenoude cemara bomen. We hadden het over alles wat ons beiden bezighield onder het genot van een kelapa muda, terwijl een verkoelende bries het een en ander nog prettiger maakte. Niet ver daar vandaan – zo’n 21 km ten noorden van Sumenep – stopten we bij Pantai Slopeng, nog zo’n prachtige strandlocatie, tot op heden onopgemerkt gebleven voor het massatoerisme. Voor mijn gids was er de gelegenheid om te knielen en danken in de richting van Mekka, terwijl ik langs het brede mooie witte strand wandelde dat met kokospalmen was omzoomd. Er lagen vele vissersprauwen niet ver uit de kust, wat erop wees dat er in de zee veel vis moest zwemmen. Weer op weg was onze chauffeur de weg even kwijtgeraakt en hobbelden we over onverharde wegen door desolate, savanneachtige gebieden, waar rotsen werden uitgehakt voor de bouw van nieuwe woningen. Bij Desa Batuputih werd, zoals de naam al aangeeft, voornamelijk wit kalksteen gedolven. Er stonden eucalyptusbomen in rijen aangeplant die dienden als geriefhout zoals dat bij ons vroeger met elzen, essen en wilgen gedaan was.

 

 

Asta Tinggi

 

   Die middag bezochten we de oude begraafplaats Asta Tinggi, waar sinds de 16e eeuw alle heersende sultans begraven liggen op een heuvel met uitzicht op het huidige Sumenep in de verte. De eeuwenoude gebouwen die de diverse overleden sultans plus aanhang herbergen en waarvan ik vermoedde dat de Hollanders destijds aan de bouw ervan een grote bijdrage moesten hebben gehad – getuige de massieve eikenhouten deuren met het solide hang- en sluitwerk en de extra dikke muren die de eeuwen moeiteloos hadden doorstaan – waren in uitstekende staat en het betoverende uitzicht, tegenwoordig enigzins ontsiert door nieuwbouw, zal ongetwijfeld de rede van de locatiekeuze geweest zijn. We aten een soto ayam als afsluiter en spraken voor de volgende dag af voor een voortzetting van de tocht.

  

Het was zondag en ik was inmiddels een week op reis sinds mijn vertrek vanuit Schiphol. Die dag reden we eerst een heel eind westwaarts het binnenland in en het landschap begon hier behoorlijk heuvelachtig te worden. Na verloop van tijd bereikten we de puncak – het hoogste punt van het gebied – waar de bermen vol stonden met exotische planten en struiken als kembang sepatu, bougainville en vele andere soorten planten waarvan ik de namen niet wist. De tabaksvelden hadden inmiddels plaatsgemaakt voor sawa’s, waar de natte moesson gezorgd had voor een drassige bodem, waarop rijst beter op gedijt dan tabak. Op vier kilometer van de hoofdstad Pamesekan, in het midden van een pleintje van de kleine desa Larangan Tokol, was een stuk grond afgezet met een hekwerk waarbinnen hier en daar vuur uit de grond opvlamde en waarop rijst in metalen bussen werd gekookt door sommige vrouwen. Deze plaats, Api Alam genoemd, werd omringd door een flink park, zoals vele andere plekken waar iets bijzonders te zien valt. In stalletjes werden batik, houtsnijwerk, speelgoed, snacks en frisdranken aangeboden. De vuurtjes zorgden ervoor dat de toch al verzengende hitte het gebied alleen nog maar meer opstookte, zodat we na een verfrissing in de vorm van koele drankjes onze weg naar de volgende attractie vervolgden.

 

 

Masjid Agung 

 

   In Sumenep terug werd eerst een bezoek aan de grote moskee Masjid Agung gebracht tegenover de alun alun in het centrum van de stad. Het is een van de oudste moskeeën in Indonesië die de Sultan Panembahan Sumolo in het jaar 1779 begon te bouwen en in 1787 voltooide. De invloeden van islamitische, Chinese en Europese stijlen maken dit bouwwerk uniek en interessant. Mijn gids ging hier ook weer knielen en danken terwijl ik dankbaar wat plaatjes schoot.

   We vervolgden onze toeristische toer en kwamen bij de uit 1780 daterende kraton die in opdracht van dezelfde sultan als die van de moskee van Sumenep was gebouwd. In de tuin van dit historische gebouw stond een enorme waringin die er al net zo lang stond en ik was zeer onder de indruk van zijn enorme omvang. In het paleis waren eeuwenoude meubels, spiegels en aardewerk te bezichtigen, evenals een oud kanon voor een van de ingangen dat van Hollands fabricaat bleek te zijn. Tegenover een zwembad op de binnenplaats stond een gebouw, cynisch De Glimlachende Poort genoemd, alwaar de ondeugende sultan zich, naar zeggen, posteerde om de prinsessen te begluren die zich aan het baden waren. Er stond een klein bouwwerkje in de tuin waarin een metalen klok hing en waarmee de bezoeker zich destijds kon melden.

   Mijn gids vroeg me: ‘weet je waarom die klok daar was opgehangen?’ 'Nee,' antwoordde ik, waarop hij me schaterlachend antwoordde: ‘omdat er in die tijd nog geen mobieltjes bestonden.’

   In een oud gebouw tegenover de kraton is tegenwoordig een klein museum gesitueerd alwaar een koran in Arabisch schrift met een doorsnede van wel twee meter te bezichtigen is, naast een gouden rijtuig van Engelse makelij, stoelen en tafels uit dezelfde tijd en foto’s en schilderijen waaronder een oud portret van de laatste sultan die regeerde van 1926 tot 1929.

 

 

Kraton

 

   Nu reden we in de richting van de haven van Kalianget waar men middels pompen en molens grote stukken land met zeewater onder liet lopen voor de winning van zout. Niet ver daar vandaan stopten we bij een oude Nederlandse begraafplaats waar de grafzerken van eeuwen hier door planten werden overwoekerd. Een schril contrast, vond ik, met de begraafplaats van de sultans die er wel nog steeds goed onderhouden uitziet. Even verderop was een begraafplaats waar ik grafzerken bekeek tot het jaartal van 1939 waar de Hollandse arbeiders van de zoutfabriek destijds ter aarde werden besteld en ook hier werd niets gedaan om het geheel enigszins te onderhouden en was verval en overwoekering door planten en opschot eerder regel dan uitzondering. Nederlandse nabestaanden van deze overleden arbeiders moeten zich aardig in de steek gelaten voelen door de Indonesische regering.

 

 

Benteng Belanda

 

   We liepen naar het even verderop gelegen Nederlandse fort dat dateert uit 1785, welke, behalve een bord uit 2001 dat vermeldde dat het hier om een Benteng Belanda gaat, ook geen enkele aandacht had van de overheid gezien het enorme verval ervan. Mijn gids wist me niet te vertellen waarom dit bouwwerk destijds hier geplaatst was en er was dan ook geen enkel strategisch herkenningspunt te ontdekken. Later hoorde ik van een medewerker van het toeristen informatiekantoor dat de bouw destijds een vergissing betrof, want hoewel aanvankelijk aan de inham van een haven gelegen, raakte het al snel zijn strategische positie al snel door dichtslibbing kwijt.

 

 

 

Pabrik Garam

 

 

   Verval en vergane glorie is helemaal van toepassing op de oude zoutfabriek een eind verderop. Ik kon me nog wel voorstellen hoe de oude stoomlocomotief die voor de toenmalige fabriek stond opgesteld op een stukje rails, af en aan naar de – inmiddels op instorten staande – fabriek moest hebben gereden en hoe de arbeiders zich middels ponskaarten bij de ingang met oude klok dienden te melden of ze al of niet op tijd waren. Ook hier werd weer niets gedaan door de overheid om dit stukje geschiedenis voor de vergankelijkheid te behoeden. Ertegenover zijn nog de restanten van een oude bioscoop te zien en in de hele omtrek zijn nog vele dergelijke juweeltjes te vinden van deze in vergetelheid geraakte wijk, die enkel voor liefhebbers van urban fotografie nog van waarde lijkt om op de gevoelige plaat vastgelegd te worden. In geen enkele toeristische folder van Sumenep kon ik informatie ontdekken over dit stukje geschiedenis en ik vond dit een groot schandaal. Een paar dagen later vernam ik via een medewerker van het toeristenbureau dat er inmiddels vergevorderde plannen waren om van Kompleks PT Garam een museum te maken. Tevens zijn er renovatieplannen voor de benteng, de kerkhoven en de rest van de oude Hollandse wijk.

   Ik schoot vele plaatjes van het vervallen bouwwerk en probeerde het hierbij van alle kanten te benaderen. En hoewel alle oude verweerde deuren grondig vergrendeld waren lukte het me hier en daar mijn lens tussen kieren of kapotte ruiten te krijgen om nog een glimp van het interieur te kunnen vastleggen. Een bewaker kwam op zeker moment aanlopen toen ik te dicht bij een reeds gerenoveerde afdeling kwam waar ik achter stoffige ramen wat goederen opgeslagen zag staan, waaronder enkele oude prauwen. Maar ik had de buit al binnen en nam me voor nog een keer op het terrein terug te komen om de mogelijk over het hoofd geziene interessante objecten alsnog te vereeuwigen.

   Sunastro woonde niet ver van de oude fabriek, en had van zijn vader nog gehoord hoe het treintje destijds af en aan had gereden met ladingen zout. Bij hem thuis kreeg ik ter afsluiting een voortreffelijke maaltijd van krab, vis en rijst voorgeschoteld, waarmee zijn vrouw die middag druk bezig geweest moest zijn. 

 

 

 

...en nam me voor nog een keer op het terrein terug te komen...

 

      

 

 

  

Laatst aangepast (zondag, 11 april 2010 13:02)