De bus naar Surabaya en Sumenep
Bij een wisselkantoortje annex reisbureau direct achter het hotel had ik geïnformeerd naar een ticket Sumenep, Madura, met de bus. Eerst had ik een flink bedrag aan euro’s ingewisseld tegen een dik pakket aan rupiah’s zodat ik me daar voorlopig geen zorgen over hoefde te maken. Maar de dienstdoende man had me geen reis naar mijn gewenste bestemming aan kunnen bieden omdat zoiets bij de toeristen niet erg in trek zou zijn. Mogelijk zou er volgens hem wel een bus vanuit Denpasar die richting opgaan, maar die zou ongeregeld vertrekken en wanneer precies was niet duidelijk. Een busrit naar Surabaya was in de juiste richting en bij de haven van Tanjung Perak zou ik met een ferry de oversteek kunnen maken naar het eiland Madura. Ik besloot deze te nemen daar ik geen zin had nog veel langer in het populaire toeristenoord te verblijven. Het zou een nachtrit gaan worden van dik 14 uur en die avond om 18.00 uur zou ik bij mijn hotel worden opgehaald.
Pantai Kuta
Die avond, precies volgens afspraak op tijd, stond de man van het kantoortje voor mijn deur en hij meldde dat hij me eerst een stuk op zijn motor zou wegbrengen omdat het lastig voor een busje zou zijn om zich in de smalle Poppies Lane te kunnen manoeuvreren. Langs de boulevard van Pantai Kuta werd ik gedropt en was het even wachten geblazen tot het bewuste busje zou arriveren. Niet veel later kwam er een aanrijden en de drie rode wybertjes in de vorm van de Eiffeltoren op de voorkant gaf aan dat het een Mitsubishi Colt betrof. Mijn koffer werd achterin geladen en ik mocht plaats nemen op de bank achter de bestuurder. Ik was de eerste van de passagiers die opgehaald moesten worden en de komende twee en een half uur begaven we ons door allerlei straatjes en over onverharde paadjes voordat alle reislustige personen aan boord waren. Iedereen kreeg een wit kartonnen doosje met daarin een verrassingspakket aan snacks en een plastic bekertje mineraalwater aangereikt als binnenkomer. De enige dame van het gezelschap, een knap uitziende jongedame van net twintig mocht naast de chauffeur plaatsnemen terwijl de heren de achterhoede vormden.
In Denpasar kwam de laatste man aan boord en kwam tussen mij en een ander te zitten. Hij had een witte kupiah op, een teken dat hij de reis naar Mekka had voltooid en had een batikshirt aan met drukke gouden motieven erin verwerkt dat hij over een donkere slaapbroek droeg. Hij moest in de dertig zijn geweest, had een rond, weldoorvoed gelaat met een statig voorkomen als van een sultan uit Yogyakarta die ik me van oude zwart-wit foto’s herinnerde. In kleermakerszit begon hij een gesprek met mij waarbij hij onder andere vroeg waar ik naartoe wilde. Ik vertelde het hem met mijn beperkte Indonesische woordenschat en kreeg daarop een waterval aan woorden terug waarvan het grootste gedeelte mij ontging. Zelfs nadat ik hem meerdere malen op mijn beperkte kennis van het bahasa Indonesia had gewezen bleef hij me overladen met zijn snelle spraak waar ik weinig mee kon beginnen. Met veel Indonesiërs kan ik aardig converseren als ik met slechts enkele trefwoorden aangeef wat ik te zeggen heb. Die geven dan op dezelfde manier antwoord terug waardoor we elkaar goed kunnen begrijpen. Anderen blijven zich echter uitdrukken alsof ze tegen een landgenoot praten en Jody behoorde ook tot hen. Na lange tijd kwam ik erachter dat hij ook naar Madura ging en dat hij daar het heren kappersvak uitoefende om zijn vrouw en twee zoons te kunnen onderhouden.
Het was die nacht volle maan en daardoor was het mogelijk toch nog aardig wat van de omgeving te zien. Ik had gedacht dat we na Denpasar al snel de ferry zouden bereiken waarmee we in Banyuangi op Java zouden aankomen, maar daar had ik me aardig op verkeken. De tocht had ik vele jaren eerder al gemaakt en destijds beschreven in het verhaal Gevlucht van Bali naar Oost Java in de bundel Klimaatschieten. Al rijdend langs de kust, waarbij het maanlicht in de oceaan links van ons glinsterde, werd ik hieraan herinnerd. Toen het zover was dat we de veerboot opreden liep het al aardig tegen middernacht en tijdens de oversteek konden we op het dek een frisse neus halen en de benen even strekken. Onze chauffeur had er aanvankelijk een aardige vaart ingezet en haalde alle langzamer rijdende vrachtwagens – vaak met de meest roekeloze manoeuvres – in, maar op Java aangekomen ging hij steeds langzamer rijden en leek het erop alsof hij af en toe zwalkte. De anderen leken hier niets van te merken, maar ik zag tot mijn schrik dat hij steeds de verkeerde weghelft bereed terwijl de eerder ingehaalde vrachtwagens ons nu zwaar toeterend gingen inhalen. Ik bekeek de man schuin van achteren en zag dat hij zich steeds vermaande om wakker te blijven door snoepjes of andere snacks in zijn mond te stoppen. Uiteindelijk maakte hij een vreemde afslag waarbij ik even dacht dat we in de berm of erger zouden eindigen, maar er bleek een wegrestaurant te zijn aan de andere kant van de weg. Hier werd een stop ingelast en gingen de meesten van ons clubje het kleine kamertje opzoeken waarna ook een maaltje Padangachtig voer werd besteld. Ik bleef buiten op een bankje zitten en kreeg daar ongevraagd een snack en een kartonnetje sap aangeboden door een attente en vriendelijke jongeman van het bedrijf.
...het was die nacht volle maan...
Na verloop van tijd werd de tocht weer hervat en begon het kat en muis spel op de weg weer van voor af aan. Mijn medepassagiers leken zich er allemaal niets van aan te trekken, maar ik zat ‘m af en toe te knijpen hoe de een na de andere bijna botsing zich net niet voltrok en besloot uiteindelijk het lot maar te aanvaarden zoals het zich zou aandienen door net als de anderen onderuit te zakken en proberen een tukje te doen. Hoewel ik elk moment een fatale crash verwachte, dommelde ik af en toe in en droomde dat we gefilmd werden door het tv programma Blik op de Weg. Maar echt goed slapen kwam er niet van en ik werd uiteindelijk weer klaarwakker toen het begon te dagen. Ik meende aan de linkerkant de wazige blauwgrijze contouren van Gunung Semeru waar te nemen in een heiige atmosfeer en later wees Jody me op een soort van zanddijk aan de rechterkant van de weg waar door arbeiders zo te zien druk aan werd gewerkt. Ik begreep dat we ter hoogte van Sidoarjo waren aangekomen, daar waar al enige jaren een vulkanische modderstroom het gebied teistert. Nu werden de eerste passagiers op hun bestemming afgezet en in Surabaya zag ik in vol daglicht pas hoe oogverblindend mooi de jonge dame voorin de cabine was toen ook zij op haar gewenste adres werd losgelaten. We passeerden de brede en zwaar vervuilde Brantas rivier en een akelig rottende stank walmde door de openstaande raampjes naar binnen. De aanblik van de een na grootste stad van de archipel verdiende geen schoonheidsprijs en ik was dankbaar dat dit voor mij niet het einddoel van de reis hoefde te betekenen.
Nu waren Jody en ik nog de enige overgeblevenen van het gezelschap in het busje die naar hun bestemming gebracht moesten worden en weldra reden we de haven binnen van Tanjung Perak. Ik had bij Jody al geïnformeerd of er in zijn woonplaats – Bankalang, in het westen van Madura – hotels waren. Ik wou dus eigenlijk naar Sumenep, in het oosten van Madura, maar deze laatste trip van zo’n 150 km stelde ik liever een dag uit, daar ik behoorlijk vermoeid en uitgeput was geraakt door de rit die we zojuist achter de rug hadden. Het liefst zou ik een hotel betrekken en de schade van de afgelopen nacht inhalen door een paar uur gestrekt te gaan. Weer was er een stortvloed van woorden over me heen gekomen door mijn medepassagier die ik niet kon thuisbrengen, maar ik meende te begrijpen dat hij zich nu verplicht voelde om iets voor mij in deze situatie te doen. Nu wilde het lot dat met het kopen van kaartjes voor deze ferry een chauffeur zich aanmeldde die verbazend goed Engels sprak. Arman, een jongeman van net dertig had volgens zijn zeggen 5 jaar in Seatle, USA gewerkt als hulp in een restaurant. Hij kon nu tevens dienst doen als tolk zodat ik erachter kwam wat Jody mij had willen aanbieden. Die had het idee mij voor het moment een kamer van zijn woning aan te bieden, maar hij had ook afspraken: zijn broer zou juist deze dag gaan trouwen en hij had daaraan ook zijn handen vol. Ik wilde hem absoluut niet tot last zijn en stond erop dat ik de plaatselijke hotels uit zou checken. Ik stelde voor dat Arman mij naar een van die hotels zou rijden en dat we gedrieën – wanneer het ieder zou uitkomen – zouden gaan eten in een goed restaurant om deze geslaagde onderneming af te sluiten.
...een mooi heuvelachtig groen landschap...
Zo reden we na de korte oversteek in de richting van Bankalang en al gauw bleek dat ik de keuze had uit twee opties: een verblijf in Wisma Nyamuk of anders naar Hotel Panas. Nu heb ik een grote hekel aan die vervelende en zoemende stekenbeesten, dus werd het een verblijf in het tweede genoemde hotel. Het bewuste hotel bleek vol te zijn op een kamer na waar alleen een fan in de kamer voor de nodige afkoeling zorgde, dus nam ik daar mijn intrek. We namen voorlopig afscheid van elkaar na onze mobiele nummers te hebben uitgewisseld, zodat we na te zijn bijgekomen van de trip samen in de stad konden gaan eten. Maar de fan in mijn kamer was niets anders dan een klein propellertje in het raam van het vertrek dat grommend stond te draaien zonder dat er ook maar iets van verfrissing merkbaar was. Ik was zo bekaf dat het mij op dat moment niets kon schelen. Zodra ik een bed onder me voelde zou ik immers als een blok in slaap vallen. Dat gebeurde ook nadat ik me met enkel een laken over me heen voor een uitgebreid tukje had neergevlijd. Maar nadat ik voor mijn gevoel slechts een kwartier had geslapen werd ik gewekt door een hels kabaal. Na een stem die uit luidsprekers ‘testing, dua’ keer op keer had herhaald werd een stuk muziek opgezet in de eetzaal van het hotel waarvan de bassen zo hard waren afgesteld dat ze de ruiten deden rinkelen en de vullingen van mijn kiezen lostrillen. Ik was wakker geworden in een bed dat doordrenkt was van mijn eigen zweet. Ik ging eruit om polshoogte te nemen en zag dat de zaal in orde werd gebracht met honderden blauwe plastik stoelen voor een trouwpartij die deze avond zou beginnen. Ik vroeg bij de receptie of er toevallig niet nog een andere kamer zou zijn, verder van het geluidgeweld en zo mogelijk met AC. De boy zei dat er na vijven wel zo’n kamer zou vrijkomen en hij zou me dan komen halen voor pinda kamar – het verwisselen van kamers. In de tussentijd draaide de disco op volle toeren en tegen zessen had ik nog niets van de roomboy gehoord. Daarbij was er in de nabijgelegen keuken een gekletter van borden en gerinkel van bestek te horen waardoor ik mezelf elke gedachte aan een goede afloop had opgegeven.
De trouwpartij was natuurlijk belangrijker dan de aanwezigheid van een toevallig logerende bule, daar had ik wel begrip voor. Het was donderdag en mogelijk een bijzondere Islamitische feestdag waardoor niet alleen de broer van Jody, maar vele andere stellen hadden gepland om op deze dag te gaan trouwen. Ik belde Arman om te informeren of hij zin had ergens te gaan eten. Jody had het natuurlijk te druk om te komen en ik had besloten de volgende ochtend vroeg te vertrekken. We aten die avond dus met zijn tweeën een overheerlijke gurami bakar en hij verzekerde mij dat het feest na tienen wel afgelopen zou zijn. Om die periode te overbruggen zat ik mijn tijd uit in een naburig internetlokaal en inderdaad was men in Hotel Panas na tienen de boel aan het opruimen. Ik koos bij terugkomst in mijn kamer maar voor het tweede bed omdat het eerste nog steeds doordrenkt was. Maar al spoedig gutste het zweet weer van me af en in mijn herinnering zou dit hotel voor mij als het slechts beslapen van mijn Indonesische geschiedenis ingaan. Bij het ontwaken de volgende ochtend bleek het tweede bed zo nat dat er zelfs grote natte plekken in het matras waren achtergebleven alsof ik in mijn bed had geplast. Ik had de wekker op zes uur gezet omdat Arman zou komen om mij naar het busstation weg te brengen. Ik kreeg een ontbijt van rijst met een restje van de vorige avond; een bruine ondefinieerbare smurrie die ik niet durfde te proeven. Ik at enkel de witte rijst, dronk een glas thee en liet me door Arman wegbrengen.
...waarvan de toppen waren gesnoeid en weer begonnen uit te lopen...
Nadat we afscheid van elkaar hadden genomen en hij de chauffeur op het hart had gedrukt mij te waarschuwen wanneer ik van bus moest verwisselen, reed ik weg in de richting van Sumenep. De middelgrote bus was afgeladen vol en met enig gewurm had ik een plaats op de achterbank kunnen veroveren waar ik met opgetrokken benen de rit moest gaan uitzitten. Naast me zat een jongeman waarmee ik in gesprek raakte en die mijn gebrekkige bahasa Indonesia begreep zodat er een leuke conversatie ontstond. Maar na een tijdje stapte er een oudere man de bus in en nam aan de andere zijde van me plaats. Hij sprak me aan en wilde van alles van me weten. Daarbij was hij erg opdringerig en ging uiteindelijk zover door mij een vriend en zelfs broeder te noemen. Hij klopte me daarbij regelmatig op mijn schouder en linkerbovenbeen.
‘In Sumenep jij moet komen waar ik verblijf. Is niet ver van hotel. Wij samen eten en ik laat jou zien wat is allemaal mooi.’
Hij droeg een bril van het merk geen gezicht anno 1973 en een walm van knoflook kwam me tegemoet als hij tot me sprak. Uit zijn aktetas haalde hij een oude agenda tevoorschijn, scheurde er een bladzijde uit met de datum 20 oktober 1984 waaronder hij zijn telefoonnummer, adres en naam noteerde. Nu ging zijn mobieltje af en had luid pratend een gesprek met een bekende waarmee hij doornam dat er zojuist een nieuwe vriend in zijn leven was gekomen, waarbij miester Jan regelmatig genoemd werd. Op een moment gaf hij het mobieltje aan me door met de bedoeling iets tegen die bekende te zeggen. Met tegenzin zei ik mijn naam nog maar eens in het apparaat en gaf hem snel weer terug. Luid vervolgde hij zijn gesprek dat doorspekt was met denderende lachsalvo’s. Ondertussen had iedereen in de bus in de gaten hoe vervelend de man was voor de bule achter in de bus met de naam miester Jan. Iedereen schaamde zich overduidelijk voor deze opdringerige vervelende man en men keek mij nu met blikken vol medelijden aan. Het liefst was ik nu uitgestapt, maar er was niets waar ik heen kon gaan. Ik bedacht dat het maar afgelopen moest zijn met deze reizen en vroeg me af waarom ik mezelf dit steeds allemaal aan deed. Het zou de laatste keer zijn, ik had het gehad. Ik bad dat de bus zou verongelukken zodat ik tenminste van deze kwelgeest af zou zijn. Op de rest van zijn betoog gaf ik nog nauwelijks antwoord: ‘Jij toch met mij eten, ja?’ ‘Ik weet het niet’, antwoordde ik nu koel. Daarna bleef ik strak voor me uit kijken. Nu begon hij een gesprek met de jongeman waarmee ik eerder zo gezellig had gekletst. Toen deze de bus verliet ging de vervelende man een paar plaatsen naar voren om een nieuwe passagier aan te klampen met zijn gezemel en gelukkig moest hij hij kort daarna de bus verlaten zonder nog naar mij om te kijken of iets tegen mij te zeggen.
Ik kon weer wat op adem komen en bedacht me dat alles wel weer een wending zou nemen. Ik dacht aan het sprookje waarbij de hoofdrolspeler zich eerst door een berg van rijstebrij heen moest eten alvorens in Luilekkerland terecht te komen. Daarbij zag ik het landschap veranderen van een dorre savanne in dat van een mooi heuvelachtig groen landschap. De hulp van de chauffeur bij de deur maakte mij er nu op attent dat het voor mij tijd was geworden om over te stappen waarbij hij mijn koffer uit de achterbak van de bus haalde en die in een gereedstaande andere over laadde. Ik mocht naast de bestuurder daarvan plaats nemen en deed de veiligheidsgordel maar om, zonder dat deze echt was vastgesjord. Dit was hier kennelijk de gewoonte, net zoals het met de helm wel gebeurt – achteropzittend bij een tukang ojek – waarvan het riempje niet vastzit. Nu bestond het landschap uit in rijen aangeplante bomen op dijkjes waarvan de toppen waren gesnoeid en weer begonnen uit te lopen, wat me deed denken aan onze wilgen thuis die werden geknot. Aan de rechterkant zag ik de oceaan opdoemen met mangroves die de oeverlijn bepaalden. Een ziltige lucht kwam er door de openstaande raampjes naar binnen en aan de reclame- en verkeersborden kon ik zien dat we het gebied van mijn bestemming hadden bereikt. Plotseling werd mij te kennen gegeven dat ik eruit moest en voor ik het wist stond ik aan een brede boulevard met mijn spullen in de berm. Ik was in Sumenep aangekomen.
Alun2 Sumenep
Laatst aangepast (dinsdag, 09 maart 2010 15:53)


