Lanterfanten in Indonesië 2
5. Rantepao - Ubud
De volgende ochtend zaten we aan de ontbijttafel met een Nederlands stel waarmee we wat vakantie ervaringen uitwisselden. Ze vertelden ons over de rituele begrafenis die ze de vorige dag hadden meegemaakt en gaven toe dat ze een beetje wee in de maag waren geworden door het bloederige slachten van de buffels en varkens, wat als een onmisbaar onderdeel van deze gebeurtenis werd beschouwd. Na het afgeven van mijn wasgoed aan de laundry ben ik op het terras gaan zitten, waar Rustie bezig was met een haan. Hij zat 'm te kneden, te luizen en te wassen, waarna hij een koordje aan zijn linkerpoot knoopte en dat met een pen in de grond vastzette. De haan had al een wedstrijd gewonnen, waaraan hij een flinke jaap in z'n flank had overgehouden. George en ik zaten bij een met varens begroeid muurtje te kijken naar een paar hagedissen die daar de eerste zonnestralen opzochten. Er waren kleine en wat grotere, en even later zag ik er een met een lichtblauwe fluorescerende staart. Om wat lichaamsbeweging op te doen wilden we een fietstocht in de omgeving maken waarvoor we om de hoek van ons hotel in een winkeltje halfversleten mountainbikes konden huren. Ook hier kwam Rustie weer te voorschijn die voor ons de zadels goed afstelde en natuurlijk het geld in ontvangst nam. Het werd een aangename fietstocht die ons langs sawa' s en bamboebossen voerde met hier en daar de eerder beschreven rijstschuren en woningen die allemaal met de punt naar het noorden wezen, de richting waarvan de Toraja ' s geloven dat ze afkomstig zijn. De meeste kinderen langs de weg begroetten ons met 'hello' en 'gula gula' (snoep), wat erop duidde dat eerdere toeristen ze al verwend hadden. Het werd een rondje Rantepao - Makale, en bij deze laatste plaats stopten we voor de lunch bij een islamitische rumah makan waar ik een gado gado at in gezelschap van een familie die onder het eten naar een Indiase horrorfilm op de T. V. zat te kijken. De kleine kinderen gierden van de pret toen op het beeldscherm een man werd onthoofd. Weer op de terugweg keken we nog uit naar een Torajaanse begraafplaats die we ergens langs de weg zouden moeten tegenkomen, maar nadat Paul een gesprek had met een boer die om de een of andere reden in een politie uniform was gekleed, werd duidelijk dat we 'm gemist hadden. Terwijl Paul daar schijnbaar moeiteloos in een drukke conversatie met die boer was geraakt, stootte George mij aan en zei dat Paul nu toch echt wel vorderingen maakte met zijn Bahasa, maar toen we hem daarna vroegen wat de boer had gezegd, bekende hij er nauwelijks iets van begrepen te hebben. Weer terug in Rantepao zijn we bij een toeristenbureau gaan informeren voor een rondrit langs de belangrijkste bezienswaardigheden in Tana Toraja en we besloten om een rit voor de volgende dag te boeken hetgeen ons Rp 60.000 zou gaan kosten voor een jeep met chauffeur zonder gids. Toevallig kwam die avond, toen wij op ons terras wat zaten te drinken, een in kennelijke staat verkerende Torajaan langs die ons aansprak. Nanny was naar karaoke geweest en had twee(!) flessen bier gedronken, want het was zaterdagavond. Toen hij van ons vernam dat we de volgende dag een toer zouden gaan maken bood hij aan als gids te fungeren voor Rp 25.000. Dat vonden we wel wat veel, en Paul bood hem daarvoor in de plaats z'n oude Adidas sandalen aan, daar hij die dag nieuwe had gekocht. Bovendien beloofden we hem gratis eten en drinken, maar kregen niet de indruk dat hij op ons voorstel zou ingaan (een duidelijk antwoord was vanwege zijn toestand niet te verwachten).

...in rotsen uitgehakte balkons waarop de tau tau's in groepen waren uitgestald...

We waren dan ook prettig verrast toen Nanny ons de volgende ochtend het ontbijt kwam serveren en verklaarde toch mee te willen. De chauffeur met jeep stond om 08.30 uur klaar en we vertrokken naar Lemo, negen kilometer ten zuiden van Rantepao. Toen wij daar aankwamen stond een grote groep Franse toeristen omhoog te turen naar in de rotsen uitgehakte balkons waarin de tau tau's (poppen gemaakt naar de beeltenis van overledenen) in groepen waren uitgestald. In de Bill Dalton stond dat er nieuwe stonden die de gestolen originelen moesten vervangen. Achter luiken in ernaast uitgehakte ruimten moesten de stoffelijke resten liggen waarbij men offers in de vorm van rijst, bloemen, sigaretten en drank had neergelegd. De tau tau's hadden een schilderachtig uitzicht over een vallei met in zonlicht glinsterende sawa' s, waar volgens Nanny vroeger het centrum van het Toraja-koninkrijk geweest was.

Het uitzicht van de tau tau's
De tocht ging verder naar Kambiru, waar een woudreus stond die fungeerde als graf voor overleden baby's. In het binnenste van deze boom waren de stoffelijke resten van baby's, die nog geen tandjes hadden bezeten en de grond nog niet hadden aangeraakt, opgeborgen achter inmiddels dichtgegroeide nissen, waardoor de boom wel iets weg had van een gigantische koekoeksklok. Deze plek was omgeven door dichte bamboebossen waardoor zich een spookachtig licht verspreidde. Kinderen vroegen om gula gu1a en klommen als apen in de armdikke bamboestammen. Wij stonden tussen een groepje toeristen en een gids die uitlegde dat dit natuurvolk geloofde dat de in de boom gelegde baby's met de boom mee omhoog zouden groeien en dat hun geest uiteindelijk naar Batara Mayal (de hemel) zou opstijgen. Voor het laatst moest dit in 1945 gebeurd zijn, want sinds die tijd waren de meeste Toraja's tot het Christendom bekeerd. Hierna kwamen we in Tampangallo, waar in een grot schedels en botten lagen opgestapeld en ook weer waren omringd door een stel tau tau's. De laatste begrafenis had hier veertig jaar geleden plaats gevonden. In Obyek Wisata zagen we de rustplaats van de laatste Torajakoning: Bittang Todingbunga, die in een stoffige glazen optrek was bijgezet. Ook een nazaat van deze koning, Lai Rinding, was daar in 1988 in een fatsoenlijk graf met zerk begraven. Wel was een tau tau pop met bril (die wel iets weg had van ex-president Mobutu van Zaïre) in ware afmetingen ernaast geplaatst. Om even op adem te komen gebruikten we de lunch op aanraden van Nanny in een luxe restaurant, waar onze chauffeur apart van ons zijn nasi goreng gratis gepresenteerd kreeg. Die middag deden we nog twee begraafplaatsen aan, waarbij we in een bedompte hitte op onze knieën door donkere grotten moesten kruipen, bijgelicht door een jongen met kerosinelamp om alweer naar schedels, botten en tau tau's te kijken.

Schedels, botten en tau tau's
Bezweet en vermoeid reden we daarna naar ons appartement, nadat we even langs het reisbureau waren gegaan om de bus terug naar Ujung Pandang te boeken. Daar kregen we te horen dat de bus van dinsdag al was volgeboekt, maar de nachtbus van maandag op dinsdag nog niet, waarna we maar voor deze laatste reserveerden. De volgende ochtend hebben we na het ontbijt onze rugzakken ingepakt en de kamers afgerekend. We mochten onze spullen zolang achterlaten in Pondok Wisata en zijn naar het kantoor van vliegmaatschappij Merpati gegaan in een poging de vlucht naar Bali te vervroegen. Dat kon daar niet geregeld worden, misschien wel in Ujung Pandang. Na wat ‘jalan kaki’ in de buurt als lunch een mie soep gegeten in een rumah makan. Ook hebben we het plaatselijke postkantoor opgezocht om nog een postwissel te verzilveren. Het was daar een ware heksenketel; een eenvoudige rij wachtende mensen bestond niet, en wie het meest met zijn ellebogen werkte hielp men het eerst. Tussen al dat tumult stond ik met ingevulde wissel, giropas en paspoort mijn kans af te wachten, toen een Nederlander me op mijn schouder tikte en mij vroeg hem met het een en ander te helpen. Hij was een hoogblonde, rood verbrande man van een jaar of dertig die net als ik zwaar transpirerend naar adem snakte. Een pen had hij niet, en toen ik hem de mijne leende was ik net aan de beurt en moest mijn handtekening zetten. Mijn pen was inmiddels naar een andere wachtende verhuisd, maar met veel duwen en trekken wist ik 'm weer te bemachtigen en kon ik mijn geldhandeling voltooien. Doorweekt van het zweet liepen we weer terug naar het terras van ons appartement in afwachting van de bus. Die toeterde om 19.00 uur, en na nog een uur wachten was de bus afgeladen met Torajanen die het gangpad onbegaanbaar hadden gemaakt met dozen, zakken rijst en volgestouwde tassen. Wij waren de enige toeristen, en toen ik op zeker moment naar de achterbank keek zaten daar de inlanders keurig op een rijtje zoals ik de dag daarvoor de tau tau's had gezien in de uitgehakte grotten.
De bus kwam eindelijk in beweging en reed donker Torajaland uit. Regelmatig werd er gestopt, waarbij steeds het geluid te horen was van brakende mensen. Dat kwam natuurlijk door het dalen van de bus op die bochtige wegen en van slapen kwam het er bij mij dan ook voorlopig niet van. Toen de bus in een wat vlakker gebied kwam werd het wat rustiger en dommelde ik af en toe wat weg. Paul had van een medepassagier gehoord dat we om ongeveer 09.00 uur zouden arriveren, maar hij moet dat verkeerd begrepen hebben want om 04.00 uur stopte de bus en maakten de medepassagiers ons duidelijk dat dit Ujung Pandang was en we eruit moesten. Buiten gekomen werden we letterlijk overvallen door de wachtende taxichauffeurs die ons naar een hotel wilden brengen, maar dit keer wilden we zelf op ons gemak een keus maken met behulp van onze reisgidsen. Nadat we een aantal hotels hadden aangekruist lieten we ons naar de eerste van de lijst rijden welke volgeboekt bleek. Het volgende hotel was ons te duur en zo werkten we de lijst af terwijl de taximeter geduldig doortikte. Bij een volgend hotel bleven George en Paul wat langer weg terwijl ik in de taxi wachtte. Na enige tijd kwamen ze melden dat er plaats was en bovendien niet duur. Toen ik de mij aangewezen kamer binnenging zag ik een kakkerlak, zo groot als een veldmuis, wegschieten tussen de stoffige spleten van het vunzige vertrek. Op onze bezwaren werd mij haastig een andere kamer aangeboden met een fan aan het plafond, en toen de zich uitslovende kamerjongen die aansloot, kwam deze op gang met het geluid van een zwaar aanlopende fiets. Verslagen hebben we onze rugzakken maar weer opgepakt en hervatten wij onze zoektocht in het reeds licht wordende Ujung Pandang. Uiteindelijk kozen we voor het Istana Hotel waar wij twee kamers boekten voor Rp 92.000 (Paul en ik zouden gezien de hoge prijs een kamer delen). We ontbeten eerst met een paar te slappe toasten met jam, en na ons te hebben opgefrist in de mandikamer gingen we de stad in op zoek naar het kantoor van vliegmaatschappij Merpati. Daar aangekomen werd ons een vlucht naar Denpasar aangeboden op nog dezelfde dag, vertrektijd: 13.30 uur. We wilden niets liever dan zo snel mogelijk vertrekken uit dat vervelende, smerige en dure Ujung Pandang, maar wat nu te doen met onze zojuist geboekte dure kamers! We zouden het wel uitleggen en ons ontbijt betalen, maar terug in het hotel deed het stafpersoneel alsof het er niets van begreep en na veel gepraat van Paul mochten we 2 x Rp 35.000 ophoesten in plaats van de oorspronkelijke 2 x 46.000 en na een overdreven beleefde begroeting van onze kant en een cynische glimlach van het personeel verlieten wij het hotel. Omdat het ontbijt zo karig was geweest hadden we inmiddels alweer honger gekregen en we wilden niet met een lege maag in het vliegtuig stappen. Onze enige goede herinnering aan Ujung Pandang van het vorige bezoek was een diner op het open balkon van een Chinees restaurant aan de boulevard met een schitterend uitzicht op de Makassarse Zee, dus hielden we een taxi aan en gaven te kennen naar de boulevard te willen. Na zo'n tien minuten te hebben gereden zagen we nog steeds geen boulevard laat staan zee, dus maakte Paul gebaren van golven met het steeds herhalen van ‘laut’ (zee) en toen scheen de taxichauffeur er toch iets van te begrijpen enna zo'n tien minuten reden we dan eindelijk op de boulevard. Helaas bleek het bewuste restaurant gesloten dus namen we het eerstvolgende maar. We bestelden daar een loempia omdat de rest wel erg duur was en kregen de man twee van die mini gevallen waar nauwelijks enige trek mee te stillen valt, en na het betalen van de rekening waren we alle drie voldoende anti-Makassar om er nooit meer terug te willen keren. Daarna gingen we op weg naar het vliegveld om voor 12.00 uur in te checken en na nog eens 10% belasting betaald te hebben (Rp 8800) en een vertraging van een uur, waren we los van Ujung Pandang en Sulawesi met een Fokker Fellowship op weg naar Denpasar. Onderweg werden we vergast op een goed smakende Balinese rijsthap met een kop thee of koffie en was alle tegens1ag weer vergeten. In de aankomstha1 waar de bagage via een lopende band werd aangevoerd had Paul een gesprek met een Neder1ands stel dat hem bekend voorkwam. Het bleek dat we elkaar het jaar ervoor vluchtig hadden ontmoet op een camping in Portugal toen Paul en ik daar op fietsvakantie waren. Die camping werd gerund door een extreem alternatief Nederlands gezelschap, en toen we daar aankwamen en zagen wat daar allemaa1 aan de hand was, wisten we niet hoe snel we daar weer weg moesten zien te komen. Nu hoorden we van dit stel dat het een groep drugs- en alcoholverslaafden betrof, en ik kan me dan ook herinneren dat er een sfeer hing die werkelijk om te snijden was. Eenmaal buiten het vliegveld hadden we verwacht het gebruikelijke ritueel van op ons afstormende taxichauffeurs te moeten ondergaan, maar dit was niet het geval. In plaats daarvan moesten we braaf een kaartje aan een loket kopen en daarmee naar een taxichauffeur gaan. Ik moest zo langzamerhand luciferstokjes tussen mijn oogleden stoppen, want ik barstte van de slaap en van de rit naar Ubud heb ik dan ook niet veel gezien. We lieten de chauffeur stoppen op de Monkey Forest Road, een drukke winkelstraat vlakbij bet centrum en weldra hadden we een goed onderkomen gevonden in Merthayasa, waar we alle drie een eigen kamer namen. De rest van de dag hebben we maar wat getreuze1d, nog wat gegeten en zijn vroeg gaan slapen, want het waren twee zeer vermoeiende dagen.
6. Ubud - Lovina
Beach Het was een verademing om wakker te worden in een eenvoudig, maar schoon appartement dat uitzicht bood op een weelderige tuin met bloeiende acacia's, bougainvillea's, hybiscus- en kembojabomen. Wayan, een van de zonen van het familiebedrijf waar wij logeerden, kwam ons deze ochtend het ontbijt bezorgen dat bestond uit pannenkoek met banaan en een schaaltje fruitsalade. Samen met zijn oudere broer was hij die ochtend al vroeg in de weer geweest met het aanvegen van het erf, het strooien van bloemen en het plaatsen van offerandes. Op het Hindoeïstische Bali was iedereen bezig met van palmblad gevlochten bakjes, waarin bloemen, rijst, wierook en vruchten werden geofferd. Bij wijze van versiering waren regelmatig swastika's (hakenkruizen) te zien. Deze Hindoeïstische tekens symboliseren de hemel, (weder)geboorte, dood en crematie.

Kembang sepatu

Kemboja
Op de Monkey Forest Road was natuurlijk, hoe kan het ook anders, een apentuin. Ik ben er met George even wezen kijken en zag er een fraaie waringinboom staan, waaronder de aapjes stoeiden en bij de toeristen bedelden om stukjes fruit en nootjes. In een foldertje dat ik bij de ingang kreeg aangeboden, stond dat deze kolonie langstaartige Macacaqua apen in aantal was toegenomen van 130 in 1991 tot een populatie van 155 dieren dit jaar (1997), waarbij de laatste paar jaar steeds sprake was van een toename van 20%. Ze leven rond de heilige tempel ‘Pura DalemAgung’, welke achter de tuin ligt, temidden van terrasvormige sawa's. Dit was voor ons een echte rustdag, en ik heb me verder bezig gehouden met de was, het schrijven van ansichtkaarten en het bijhouden van mijn dagboek. Toen wij ‘s avonds op ons terras zaten hoorden we voor het eerst de roep van de tokeh. Na wat speurwerk kon ik ‘m traceren: hij zat aanvankelijk verscholen achter een schilderij, maar toen ik dat verschoof schoot de hagedis langs de muur, waarna hij onbeweeglijk op een balk daarboven bleef zitten, zodat George de gelegenheid kreeg om 'm te fotograferen.

...we hoorden voor het eerst de roep van de tokeh...
Ook de tweede dag in Ubud deden we niet veel anders dan wat rondkijken en lanterfanten. Na het ontbijt ben ik met Paul naar een markt gegaan om wat fruit te kopen, dat beslist niet goedkoop was. Zo betaalden we Rp 1000 voor een sinaasappel. De Monkey Forest Road bestond voornamelijk uit rijen en nog eens rijen winkeltjes die allemaal hetzelfde verkochten voor dezelfde prijs. Wat ons ook opviel was dat wij op Bali minder vriendelijk en gastvrij ontvangen werden dan op Java en Sulawesi. Dit kwam naar mijn indruk doordat Bali al wat langer met het toeristische bijltje hakt dan de andere Indonesische eilanden en de autochtone bevolking meer aan toeristen gewend is. Ook liepen er meer katten rond dan op Java, al zagen ze er verwaarloosd en opvallend genoeg vaak met een knobbel in de staart. Later hoorde ik hoe dat zat: Balinezen zijn echte kattenliefhebbers, maar houden er niet van dat deze dieren overal op springen. Na de geboorte worden de staartjes meestal afgehakt, waardoor ze gauw hun evenwicht verliezen en niet meer zo springerig zouden zijn.

Die avond, nadat we een goed maal in een Chinees restaurant hadden gebruikt, liepen George en ik een tweedehands boekenwinkel binnen. Daar stonden op de schappen voornamelijk romans die in diverse talen waren gerangschikt. Tussen de boeken die op de plank stonden met ‘Holland’ erboven, viel mijn oog op een oud boek met de titel ‘Tempo Doelloos’ dat vol stond met moppen, verhalen en sagen die betrekking hadden op de relatie tussen Nederlanders en Indische mensen. Waarschijnlijk was het een collectors item, want het gevraagde bedrag lag ver boven ons budget, ook al zouden we de kosten hebben gedeeld. In de hoek van de zaak stond een belegen en zo te zien welvarende Amerikaanse dame in 'Silence Of The Lambs' te bladeren, terwijl haar bejaarde man naast haar alles gelaten aanzag. Met het omslaan van de pagina' s keek ze steeds met verwachtingsvolle blikken in de richting van George, die hierop reageerde door een beetje zenuwachtig te fluiten. De volgende ochtend stapten we in een bus met bestemming Lovina Beach, die na enige tijd zó overvol was geladen dat er van relaxed zitten geen sprake meer was. Gelukkig werd bij de eerste stop de helft van de passagiers met hun bagage overgeheveld naar een andere bus, waarna de rit iets comfortabeler werd hervat. Het werd al gauw klimmen geblazen voor de bus, en dat op een rampzalig slecht wegdek dat zo te zien provisorisch was opgelapt met puin en zand, waarmee de ergste 'potholes' en het zo nu en dan totaal ontbreken van asfalt was aangevuld. Terwijl de passagiers eendrachtig heen en weer zwaaiden door de slingerbewegingen van de bus, konden we buiten de granietgrijze contouren van de vulkaan Gunug Batur zien oprijzen. De krater was een jaar of drie eerder nog tot uitbarsting gekomen waarbij vele mensen het leven hadden gelaten, en nu zagen we nog de grote zwarte vlakten waar de lava gestroomd moest hebben. Nadat we even waren uitgestapt bij het plaatsje Kintamani ging de tocht bergafwaarts richting Singaraja en werd de weg geleidelijk beter. We roken het bekende aroma van kruidnagelen dat door de openstaande raampjes naar binnen walmde en zagen langs de weg kleden en bamboematten vol van deze specerijen in de zon te drogen liggen. Daarna doemde plotseling de Bali Zee voor ons op, waarna we de moslimstad Singaraja bereikten met z'n vele minaretten en uivormige koepels. Volgens mijn 'Indonesia Handbook' betekent de naam van deze stad 'Koning Leeuw' en werd in 1604 door Raja Panji Sakti gebouwd, waarna de Hollanders de machtige raja bevochten en de stad uiteindelijk in 1849 in bezit namen.

...daarna doemde plotseling de Bali zee voor ons op...
De bus stopte enige tijd later bij de Lovina Beach halte, waar we werden opgewacht door een meute vertegenwoordigers van wisma's en losmens van wie wij 'Frankie Goes To The Moon' uitzochten die drie betaalbare kamers vrij had in 'Wisma Marie'. Marie betekent in het Bahasa zoiets als 'kom hier', maar in dit geval was de wisma naar moeder de vrouw genoemd, hetgeen nog wel eens tot een grappige spraakverwarring leidde. Even later zaten we op een terras met uitzicht op zee van een bami soep te genieten terwijl we ons voorstelden aan Srih, de twintigjarige huishulp, en Marie zelf. Nadat we ons wat hadden opgefrist maakten we een wandeling langs het strand en kwamen bij een losmen waar George twee jaar daarvoor had gelogeerd. Daar werden we vriendelijk begroet door de Schotse eigenares en haar man die George nog niet vergeten waren. Op de terugweg zagen we een tuincentrum waar we even gingen kijken, want George had zijn zinnen gezet op een stekje van de kembojaboom. Er waren wel grote exemplaren maar kleine, en dan vooral de witte variant, waren niet voorradig. Die middag had Srih ons gevraagd of wij 's avonds op het terras wilden eten en op onze bevestiging beloofde ze vis met rijst voor ons te zullen koken. Dat was het dan ook, en niets meer dan dat: een gekookte zeebaars met witte rijst. We vonden het wel wat sober, maar later besefte ik dat de meeste Indonesiers dagelijks zo eten. De volgende dag gingen we na een ontbijt van alweer pannenkoeken met banaan fietsen huren waarvan de banden eerst door Franky moesten worden opgepompt. Daarna reden we langs de drukke kustweg westwaarts en zagen onderweg veel druiventeelt waar we even stopten om ieder een tros te kopen. Ook bezochten we een inheemse markt, waar naast sterk riekende gedroogde vis veel exotische vruchten, kruiden, bonen en granen werden verkocht. Uiteindelijk bereikten we het doel van onze fietstocht: de heilige warmwaterbronnen van Banjar. Men kon daar tegen betaling van Rp 1000 een bad nemen in het zwavelhoudende bronwater, wat George en Paul deden en ik maar oversloeg. Een tochtje naar een Boeddhistische tempel hebben we maar gestaakt omdat de weg ernaar toe te bergachtig werd. Die middag hebben we voor het eerst op deze vakantie genoten van zee, zon en zand, zwart zand. Zodra we onze badlakens hadden uitgespreid kwam er een stoet langs van kledingverkoopsters, fruit- en drankventers, vrouwen die dat en dat restaurant aanprezen en vooral veel vrouwen die vroegen: ‘You want massage?’ Toen ik even later opkeek zag ik dat George al stevig werd gemasseerd en Paul, die uit ons zicht was verdwenen, vertelde later dat hij in de buurt van waar wij de dag daarvoor hadden gewandeld, was gemasseerd voor de helft van de prijs die George had betaald. Ik ontsprong de dans met het excuus dat ik niet tegen kietelen kon.

Na nog wat gespartel in de Bali Zee gingen we ons 'lekker maken' voor een bezoek aan Singaraja. Daarvoor liepen we naar de drukke kustweg en staken een hand op om een angkot aan te houden. Die zette ons af aan de Jl. A. Yani vanwaar we richting zee liepen. De zon ging net onder toen we een plein aan de boulevard bereikten met om de hoek een Chinees restaurant waar we ons tegoed deden aan soto ayam en een voortreffelijke cap cay. We waren echt uitgehongerd, dus het was smullen geblazen. We liepen daarna nog wat in de inmiddels donker wordende straatjes, die vol stonden met marktstalletjes en kaki lima's die satés en mie bakso verkochten. We werden weer voortdurend aangesproken door zowel kinderen a1s volwassenen met de bekende vragen: ‘dari mana?, hello mister, apa kabar?’ Waarop wij: ‘Dari Belanda, Goelit, Van Basten, kabar baik, terimah kassih’. We waren zowat de enige toeristen, vandaar dat we zo ongeveer als Sinterklaas werden onthaald. Weer terug in onze wisma gingen we nog even op ons terras zitten, waar we in gesprek raakten met Srih, die deze dag twintig jaar was geworden, maar het niet vierde omdat dat volgens haar achterwege werd gelaten nadat men de achttien was gepasseerd. Ze was nog nooit buiten Bali geweest en had ook nog geen vriendje. Echt vrolijk klonk dit allemaal niet. Ik vroeg haar nog of tweelingen op Bali nog steeds ongewenst waren en of ze van de benaming 'totok' had gehoord. Op beide vragen wist ze geen antwoord en toen daarna haar onderlip wat begon te trillen, drong ik verder maar niet aan. Franky was die avond niet naar de maan, maar naar een bruiloftsfeest waar hij wat bijverdiende door in een gamelanorkest te musiceren. De volgende ochtend zijn George en Paul met een boot meegegaan om naar dolfijnen te kijken maar helaas niet te zien kregen en ik had gekozen voor een vis trip later op de dag. Op het strand had ik kennis gemaakt met een rasta-achtige figuur, genaamd Jemmy Marley, die een prauw in de branding had liggen met de naam 'Cassablanca' waarmee hij dagelijks uitvoer om met toeristen te gaan vissen. Als ik zin had kon ik me om 18.00 uur op het strand melden en dan zou hij voor mij een hengel in orde maken. Weer terug in Wisma Marie zat het hele gezin naar de T. V. te kijken. Er was een Indiase film bezig van miserabele kwaliteit waarin hoofden werden afgehakt, kinderen werden afgebeuld en iedereen vond het prachtig. Die middag hebben we nog wat op het strand gelegen terwijl we weer door vrouwen werden aangesproken voor een massage. Later in de middag werd het bewolkt en ging het harder waaien, zodat ik die vis trip maar vergat, en tegen zessen zijn we met een bemo naar Lovina gereden waar we in Warung Made een rijsttafel bestelden. Deze was gezien het bedrag dat we ervoor betaalden beslist met slecht, maar ook niet zo uitgebreid als wij in Holland gewend zijn (weinig vlees en veel tahoe). Maar de bediening was in orde, de serveersters aardig (op het overdrevene af) en na afloop kregen we ieder een Kambodja bloesem om in Balinese stijl achter het oor te steken. Daama liepen we al struikelend achter elkaar langs de onverlichte kustweg terug naar onze wisma.
7. Lovina Beach – Amsterdam
De keuken van Marie was nog niet open toen wij de volgende ochtend vroeg uit de veren waren, zodat we als ontbijt maar wat biskwietjes namen. Daarna liepen we naar de terminal voor de shuttlebus naar Padangbai. In de bus werd ik geplaagd door een Engels kamerolifantje dat geen woord zei maar wel voortdurend knikkebollend tegen mij aanleunde. Halverwege passeerden we de Gunung Agung. Deze heilige vulkaan is voor de Balinezen wat de Olympus voor de Grieken was - een heilige berg. De Balinezen die deze vulkaan als de 'navel van de wereld' beschouwen, slapen altijd met hun hoofd in de richting van Agung. Onderweg passeerden we prachtige sawa terrassen en af en toe kregen we ook jeruk- en kapokbomen te zien. In Padangbai aangekomen deden we onze rugzakken om en gingen op zoek naar een geschikte losmen. Pondok Wisata 'Marco' was niet duur en zag er schoon uit. Toen wij even later richting Blue Lagoon Bay liepen, waar volgens zeggen goed gesnorkeld kon worden, hoorden we opeens bekende Nederlandse stemmen en zagen we Janny en Marianne op een terras zitten. Nadat wij waren aangeschoven en iets hadden besteld kwam Marianne met het trieste nieuws dat haar vader onlangs was overleden. Ze had al een tijdje met een onrustig gevoel rondgelopen, vertelde ze, waarop ze naar Nederland belde en zo te horen kreeg dat haar onbestemde gevoelens juist bleken te zijn. Direct naar huis terugkeren had ze niet gewild voor Janny, omdat anders twee vakanties verpest waren geweest. In plaats daarvan hadden ze veel tempels bezocht en zei ze te denken dat haar vader het zo gewild had. De Blue Lagoon Bay was fraai gelegen, maar ongeschikt om te snorkelen, omdat het water ijskoud bleek te zijn en het er barstte van de onderwater obstakels die verwondingen zouden kunnen veroorzaken. We kwamen op de terugweg langs een bungalowpark, waar appartementen stonden die waren vervaardigd van bilik en atap en jawel, op het balkon van één van deze hutten stond Janny die ons binnenriep. Ook Marianne kwam van boven om wat bij te praten. De dames hadden die ochtend ruzie gehad met een pensionverhuurder die hen een appartement had willen verhuren dat, naar later bleek, niet afsluitbaar was. Dat zag Marianne niet zitten, zodat ze hun koffers wilden pakken, waarop de verhuurder kwaad werd. We hadden het nog over de beperkte mogelijkheden van Padangbai, waar wij van plan waren twee dagen te verblijven. Zelfs dat vonden de dames nog te veel en ze zouden de volgende dag reeds vertrekken. De volgende ochtend, op weg naar de bushalte waar wij een bemo zochten die ons voor een uitstapje naar Klungkung zou brengen, zagen we ze puffend en zwetend onder het gewicht van hun zwaar bepakte rugzakken aankomen. Ze wilden naar Candidasa gaan, waar ze na twee rustdagen weer met het vliegtuig naar Nederland terug zouden vliegen.

...na een aantal winkeltjes kwamen we bij het Taman Gili paleis...
Terwijl Marianne chocolade uitdeelde maakte Paul nog wat opnames met z'n video van het duo, waarna we in onze bemo stapten en uitbundig werden nagezwaaid. Op weg naar Klungkung werd halverwege gestopt voor een oude vrouw die drie manden metbonito's (een soort tonijn) de minibus binnenstouwde, waarvan de puntige staarten erweliswaar grappig bovenuit staken, maar ons toch met enige zorg vervulden met betrekking tot ons reukorgaan. Het viel mee. Klungkung was en is het centrum van de payong: in elke snuisterijenwinkel zagen we deze parasols hangen, die vervaardigd waren van bamboe en geolied papier. Ook fraaie zijden kaïns en slendangs waren hier overal te koop. Na een aantal winkeltjes kwamen we bij het 'Taman Gili' paleis met z'n prachtige vijvers waarin enorme goudkarpers zwommen. Het ernaast gelegen museum' Semarajaya' mochten we met ons kaartje van Rp 2000 ook bezichtigen en bood naast zwart-wit foto's van de laatste raja met zijn familie ook een verzameling oude Nederlands-lndische kranten zoals die van 'De Locomotief' en 'Het Bataviaasch Nieuwsblad'. Bij het verlaten van het museum kon ik nog nèt zien hoe twee mannelijke bewakers in uniform hand in hand de hoek om liepen. Omdat ik die dag voor de afwisseling de video camera bediende greep ik de kans om vast te leggen hoe George en Paul zeer hardnekkig achtervolgd werden door verkopers van allerlei souvenirs en vrouwen die batik kleding wilden slijten. Die middag zijn we met de bemo nog verder naar Sanur gereden, waar we home stay 'Soponami' opzochten, waar George twee jaar eerder gelogeerd had voor Rp 12.000 per nacht en waarvoor wij nu Rp 25.000 moesten neerleggen. We hebben toch maar alvast geboekt, want Sanur is een relatief dure stad waar moeilijk goedkoop onderdak te vinden is. Op de terugweg moesten we nog flink tawarren (afdingen) met een angkot bestuurder om ons voor een betaalbare prijs naar Padangbai terug te laten rijden, daar de veel goedkopere shuttlebus die dag niet meer reed. Onderweg zagen we grote optochten met in uniform geklede schoolkinderen marcheren die alvast warmliepen voor de nationale feestdag (17 augustus), die wij daar helaas niet meer zouden meemaken. Eenmaal terug in Padangbai hebben we onze terugvlucht naar Nederland bevestigd en de shuttlebus naar Sanur van de volgende dag geboekt. Na een goede maaltijd in barrestaurant 'Puri Rai', waar wij genoten van garnalencocktails en chicken cha orange, de avond verder met klimaatschieten (lanterfanten en sterrenkijken) doorgebracht. Om 10.00 uur de volgende ochtend zaten we in de shuttlebus die eerst naar Ubud reed, alwaar een menigte backpakkers instapte, zodat onze bagage onder die van hen bedolven raakte. Onderweg genoten we weer van schilderachtige vergezichten op valleien met sawa' s en zo nu en dan een oude waringinboom.

Toen wij in Sanur arriveerden moesten we eerst uit de berg bagage onze rugzakken zien terug te vinden, en nadat we die met veel moeite hadden teruggevonden namen we een angkot naar de reeds geboekte homestay. Nadat we onze bagage hadden gedumpt zijn we wat wezen rondkijken en kwamen in een grote supermarkt terecht waar ik naast een pak melk (ik had al bijna een maand geen zuivel binnen gekregen) ook een Pancasila affiche had gekocht. Het bekende embleem van de Garuda vogel met wapenschild en de in Bahasa Indonesia geschreven vijf grondbeginselen eronder hadden we vaak langs de weg zien staan, alsmede een bord waarop een hand met wijs- en middelvinger was afgebeeld waaronder: 'dua anak cukup' (twee kinderen is genoeg). Het werd nu aftellen geblazen, de laatste dagen leken niet meer mee te tellen en we maakten alle drie alweer plannen voor als we weer thuis zouden zijn. Toen we de volgende ochtend aan ons ontbijt zaten begon het zowaar (voor het eerst deze vakantie) een beetje te regenen. Veel stelde het niet voor, want na 15 minuten was het al weer droog. Ik had in mijn gids gelezen dat er naast het immense Bali Beach Hotel een museum moest zijn van de beroemde Belgische impressionistische schilder Le Mayeur. In deBill Dalton gids staat: “ook wordt het Ni Polok Museum genoemd, het huis van Jean Le Mayeur, die zich in 1932 in Sanur vestigde. Hij woonde eerst in het dorpje Klandis, oostelijk van Denpasar waar hij Ni Polok ontmoette, de bekende schoonheid en ‘legong’ danseres. Ze aanvaarde het voor Le Mayeur te poseren en werd het onderwerp van een aantal van zijn schilderijen, wat hem veel succes bracht in Singapore. In 1935 trouwde Le Mayeur met Ni Polok. Het stel bewoonde een prachtig strandhuis in Sanur tot aan zijn dood in 1958. Ni Polok overleed in 1985. Vandaag de dag wordt het huis met de collectie door de Indonesische overheid onderhouden”. Helaas, toen wij daar aankwamen bleek het museum gesloten vanwege een renovatie. Wel mochten we even in de tuin rondkijken en konden toch enkele doeken in een tuinhuisje zien hangen.
Een vervagende Ni Polok op grof canvas
Ik was tot nog toe gespaard gebleven voor ingewandsstoornissen, maar nu begon ik me toch minder lekker te voelen, want toen we even later in onze losmen terug waren heb ik geruime tijd op bet toilet doorgebracht en nadat ik O.R S. en Imodium had geslikt knapte ik weer op. De enige boosdoener die ik kon verzinnen moest dat pak melk van de dag daarvoor geweest zijn. Onze laatste vakantiedag was nu aangebroken en voor een laatste maal zijn we die ochtend naar het strand gewandeld, omdat we gehoord hadden dat er een crematieceremonie zou plaats vinden. Eerst kwam er een stoet in het zwart geklede gamelan muzikanten aangelopen die al musicerend de banjar (Hindoeïstische priester) met assistenten voor ging naar een grote brandstapel waarop huisraad en de stoffelijke resten van de overledenen waren opgestapeld.

...we hadden gehoord dat er een crematie zou plaatsvinden...

...de fik erin...
Nadat de banjar alles had geïnspecteerd en er een jerrycan brandstof over had uitgegoten ging de fik erin. Na het middageten zijn we nog even teruggegaan naar onze home stay waar we onze rugzakken hadden achtergelaten. Op de fraaie patio, waar naast een schaduwrijke pondok ook een tempel in Chinese stijl was gebouwd, was onze gastvrouw Lau samen met de achttienjarige hulp Putu de binnenplaats aan het aanvegen. Paul had een opname met z'n video gemaakt van Putu en nadat hij die haar had laten zien, ging ze helemaal uit haar dak. Op George's opmerking 'eighteen and never been kissed' werd ze zo 'malu' - verlegen - dat ze verder vergat te vegen en ook oma, die in een hoekje zat te handwerken, kwam niet meer bij van het lachen. Daarna pakte George de 'sapulidi' - veger - en hielp de dames een handje zoals de inlanders dat doen: met de linker hand op de rug. Niet lang daarna reed de taxi die wij besteld hadden om ons naar het vliegveld te brengen het erf op, en met een 'banyak untung' (veel geluk) verlieten wij zwaaiend onze homestay, nagewuifd door Lau, Putu en oma. Onderweg naar het vliegveld raakten we in gesprek met de chauffeur die verklaarde dat er voor hem en zijn familie geen geld overbleef om met vakantie te gaan en dat het geld van dit toch zo rijke land slechts in de zakken van een clan terecht kwam: die van de Golkar. We hadden het nog niet eerder tijdens deze vakantie meegemaakt dat een Indonesiër zijn onvrede over de politieke situatie in zijn land had durven uiten, maar het feit dat wij vanuit de taxi direct het vliegtuig in zouden stappen zal zeker meegespeeld hebben zijn mening tegenover ons niet onder stoelen of bank en te steken. Op het vliegveld lieten we ons inschrijven en kregen onze instapkaarten, waarna we de man nog eens Rp 25.000 belasting moesten betalen voordat we door de douanepost konden gaan. Daar ontstond nog even wat commotie doordat George geen complete visumpapieren kon tonen, maar gelukkig kon hij bij de incheckbalie nieuwe afhalen en opnieuw invullen, waarmee het probleem was opgelost.

...naast een schaduwrijke pondok was een chineesachtige tempel gebouwd...
Om 18.30 uur konden wij via Gate 4 in ons vliegtuig stappen en om 19.00 uur stegen we op richting Jakarta, waar we moesten overstappen. Daar keken we met afschuw naar onze typisch Nederlandse medepassagiers gekleed in korte broeken en singlets, die luid grappen en grollen makend elkaar bezig hielden: een klein voorproefje van wat ons straks weer te wachten stond. We stegen voor een tweede keer op, ditmaal richting Singapore. Toen ik onderweg op mijn gemak een sigaar opstak en relaxed een colaatje dronk, werd ik plotseling aangesproken door een kalende andere Nederlandse man met een boek in z'n hand. ‘Dat is verboden’, riep hij naar mij, wijzend op mijn sigaar. Nu zat ik in het rookgedeelte en hij zat daar net buiten, maar later bleek dat hij inderdaad gelijk had: het roken van pijp en sigaren was aan boord niet toegestaan. Nadat ik mijn excuses had aangeboden maakte ik mijn peuk uit en zag toen de titel van het hoek in zijn hand: 'Rookgordijn' van Malcolm Roberts! Op de immens grote en cleane Changi Airport van Singapore was een aparte ruimte ingericht voor de nicotineverslaafden en toen George en ik daar zaten tussen al die paffende mensen moest ik onwillekeurig denken aan een methadon verstrekkingspost. Toen we weer waren ingestapt vertrok ons vliegtuig met bestemming Verenigde Arabische Emiraten. We hadden na iedere 'take off' een pakket met warme maaltijd gepresenteerd gekregen en nu kwamen de vriendelijk glimlachende stewardessen voor de derde maal met hun karretjes aangereden om ons weer te voorzien van een kerrieschotel met rijst, salade, broodjes en de nodige drankjes. Ditmaal bedankte ik maar voor de maaltijd en nam genoegen met slechts een kop slappe thee. Na de tussenstop in Abu Dhabi waren we onderweg naar onze eindbestemming: Amsterdam. Tijdens ons ontbijt kregen we nog eenmaal te maken met luchtturbulentie waardoor we onze seatbelts weer moesten vastmaken. Op een monitor stonden de gegevens: we zaten op een hoogte van 10.700 meter, vlogen met een snelheid van 870 km per uur en buiten was het 53°C. Toen we om 08.30 uur Schiphol bereikten hadden we 16 uur in het vliegtuig gezeten en vermoeid kwamen we de ontvangsthal binnen waar Michelle, de zoon van George, klaarstond om ons thuis te brengen en tegelijk het blijde nieuws meedeelde dat George opa en hij vader geworden was van een gezonde dochter. Het was zeker net zo warm als we de laatste tijd gewend waren geweest: Nederland had de afgelopen week te kampen gehad met een hittegolf zodat we de gelegenheid kregen om in stijl bij te komen van onze belevenissen in het grote eilandenrijk dat Indonesië heet.


